In diagnostiek speelt de overtuiging ‘meten is weten’ vaak een grote rol, waarbij testen worden gezien als de gouden standaard. Met ‘testen’ worden meestal kwantitatieve instrumenten bedoeld, zoals intelligentietesten en gedragsvragenlijsten. Bij dergelijke testen worden de resultaten uitgedrukt in scores die je kan vergelijken met die van anderen.
Ze kunnen helpend zijn om bepaalde aspecten van het functioneren systematisch in kaart te brengen en kunnen houvast bieden. De bruikbaarheid van testscores is afhankelijk van de kwaliteit van het instrument.
Wanneer enkel kwantitatieve testen worden ingezet, kan complexiteit en nuance verloren gaan. Doordat ervaringen en gedrag worden gefilterd door vaste schalen en antwoordcategorieën, blijft het genuanceerde verhaal buiten beeld. De context, betekenis en beleving van iemand, kan je met kwantitatieve testen alleen moeilijk vatten.
Daarvoor kunnen kwalitatieve methoden net helpend zijn, zoals open gesprekken of spontane observaties. Bij deze methoden is er ruimte om de context, betekenis en beleving in kaart te brengen. Zo kunnen we beter zicht krijgen op het diepgaande en rijke verhaal van de cliënt.
Er kan rekening gehouden worden met de inbreng van de cliënt en met wat de situatie aanbiedt om de vragen tijdens een gesprek of de focus van een observatie aan te passen. De afstemming op de voorkeur en kenmerken van de specifieke situatie van de cliënt, kan bovendien de vertrouwensband versterken.