De laatste jaren werden tal van internationale studies uitgevoerd naar de toename van verschillende diagnoses, zoals depressie, OCD, autisme en ADHD. Sommige studies tonen bewijs voor een (grote) toename, andere weer niet.
De verschillen tussen studies zijn voor een groot deel te wijten aan de methodes die onderzoekers gebruiken en de kwaliteit van het onderzoek. Onderzoekers moeten bijvoorbeeld bepalen hoe ze de aanwezigheid van een diagnose ‘meten’. Dat doen ze door bijvoorbeeld:
- aan personen te vragen of ze een officiële diagnose hebben gekregen;
- rapporten van diagnostische organisaties te analyseren;
- personen een (screenings)vragenlijst te laten invullen over de aanwezigheid van diagnostische kenmerken.
In studies die de laatste methode gebruiken, zal de prevalentie (de proportie van de populatie die een specifieke eigenschap heeft in een bepaalde periode) waarschijnlijk hoger ligger dan in andere studies. Dat komt omdat mensen met bepaalde kenmerken of klachten worden meegeteld; ook wanneer er geen grondig diagnostisch onderzoek werd doorlopen, en bij deze personen geen officiële diagnose werd gesteld. Een stijging in cijfers betekent dus niet automatisch dat meer mensen een diagnose hebben, maar kan ook het gevolg zijn van hoe onderzoek wordt uitgevoerd.